GELIJK ZIJN, GELIJK KRIJGEN

 

17de Burgemeester Daleslezing door Thom de Graaf.

Nijmegen, 31 januari 2014

Dames en heren,

Wat bijzonder om hier weer te staan in de mij zo bekende raadszaal van het Nijmeegse stadhuis. Niet alleen mocht ik hier ruim vijf jaar de gemeenteraad voorzitten, ook was ik zes maal zelf gastheer van deze bijeenkomst waarin de Daleslezing wordt uitgesproken en de Dalesprijs wordt uitgereikt.

Ik zeg er maar gelijk bij dat ik altijd heb gevonden dat de lezing natuurlijk mooi is, een voorrecht zelfs om er voor gevraagd te worden, maar de prijs natuurlijk veel belangrijker is. Gelijke behandeling in de praktijk brengen en daarvoor met actie en daadkracht opkomen, is uiteindelijk meer waard dan welke verhandeling dan ook. Het woord betekent wat, zeker. Maar artikel 1 van de Grondwet kan alleen tot leven komen als de letters van het papier losraken en in maatschappelijke circulatie worden gebracht.

Gelukkig doen velen dat, in en buiten Nijmegen. Elke dag weer leren wij echter dat gelijke behandeling geen rustig door de wet beschermd bezit is, integendeel. Iedere dag opnieuw wordt het debat gevoerd over wat dat precies is, gelijkheid. En voor wie die norm van gelijk behandelen nu precies bedoeld is. En of we niet doorschieten in regels en gelijkheidsmoraal. Kan bijvoorbeeld gelijke behandeling ook intrinsiek onrechtvaardig zijn? Denkt u bijvoorbeeld aan de strafrechter die voor hetzelfde vergrijp de zakenman en de bijstandsmoeder dezelfde geldboete oplegt of de vrachtwagenchauffeur en de miljonair beiden een ontzegging van de rijbevoegdheid nadat zij in het weekend na het uitgaan zijn betrapt met teveel alcohol op. Elke dag opnieuw blijkt dat wat voor de één een principieel debat is, voor de ander slechts een irrelevantie oplevert, iets waarvoor je je schouders ophaalt. Bijvoorbeeld omdat je meent dat alle ophef niets met ongelijke behandeling of discriminatie te maken heeft, maar met volkscultuur en tradities die onze nationale identiteit bepalen. “Zwarte piet, alsjeblieft zeg, niet weer over zwarte piet…” reageerde een geërgerde fractievoorzitter voor de camera toen hem daar een vraag over werd gesteld. Hij vertolkte daarmee ongetwijfeld een breder levend gevoel, alsof er niets belangrijkers op de wereld was om je druk over te maken.

Omgekeerd was er voor veel Nederlanders, donker of blank van huidskleur, alle aanleiding om wat ik zelf benoem als beschaafd, indirect en onbedoeld racisme in onze volkscultuur aan de orde te stellen. Ik kom daar nog op terug. Tussen haakjes: als je er over nadenkt, is het toch opvallend dat Sinterklaas de eeuw van het feminisme heeft weten te overleven. Een mannelijk feest met een patriarch en zijn al even mannelijke knechten. En kinderen die op schoot moeten klimmen bij een hoge, in wijd habijt geklede priester is tegenwoordig ook niet meer onomstreden.

De meeste eerdere gastredenaars die deze lezing uitspraken hadden Ien Dales niet persoonlijk meegemaakt. Ik wel. Het zal haar familie en vrienden niet vreemd voorkomen als ik haar omschrijf als een authentieke, integere maar ook dwarse en soms lastige persoonlijkheid. Dat was in ieder geval mijn eigen ervaring met haar, toen ik eind jaren tachtig, begin jaren negentig als ambtenaar voor haar werkte en haar op verschillende buitenlandse werkbezoeken begeleidde. Die dwarse, bijna non-conformistische kant van haar leidde tot de cultstatus die zij tot op de dag van vandaag heeft. De zwaaiende handtas van Ien werd net zo iconisch als die van Margareth Thatcher. Makkelijk was ze als minister niet, ze had ook een lichte hekel aan juristen zoals ik die haar vertelden dat niet alles kon wat zij wilde. Maar ze luisterde wel en was goed in veranderen. En ronduit indrukwekkend als het aankwam op het verdedigen van essentiële waarden zoals bleek bij de Wet Gelijke Behandeling die zij uiteindelijk door de Staten-Generaal wist te loodsen. Dat was en is een belangrijke mijlpaal in de maatschappelijke en politieke emancipatie van minderheden van welke aard dan ook. De naam van Ien Dales blijft daarmee verbonden.

Net als overigens met Nijmegen. Met Ien Dales deel ik het burgemeesterschap van deze stad en de politieke verantwoordelijkheid die ook ik als minister droeg voor de Grondwet en de gelijke behandeling. Dat maakt het alles bij elkaar een eer om deze lezing uit te spreken.

 

Dames en heren,

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.

Het klinkt u bekend in de oren. Een tekst van waarde waarmee de Grondwet begint, een symbolische tekst die op een pleintje voor de Tweede Kamer is uitgebeiteld en waar hele schoolklassen kinderen mee naar toe worden gesleept om ter plekke een stichtelijk verhaal van hun meester of juf te aan te horen. Wie kent artikel 1 van de Grondwet niet?  Nou, het zal u verbazen hoeveel mensen. Niettemin kunnen we veilig aannemen dat artikel 1 verreweg de bekendste bepaling van onze Grondwet is. De tekst is zo’n dertig jaar oud en kwam in onze constitutie na een stevig parlementair gevecht over de precieze formuleringen. Algemeen wordt aangenomen dat artikel 1 een drieledige functie heeft: het recht om niet ongelijk te worden behandeld, het recht om niet gediscrimineerd te worden en het gebod aan bestuursorganen, rechters en wetgevers om gelijke gevallen ook daadwerkelijk gelijk te behandelen. Daar zou, zoals oud-voorzitter van de Commissie Gelijke Behandeling Jenny Goldschmidt ooit opmerkte, aan kunnen worden toegevoegd het gebod om ongelijke gevallen dan ook ongelijk te behandelen, maar daarover was de Tweede Kamer nogal verdeeld.[1]  Verschil van opvatting was er ook over die tweede volzin die het discriminatieverbod inhoudt. Was die eigenlijk wel nodig? Als de norm is dat in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld, dan spreekt het toch vanzelf dat ongelijke behandeling in gelijke gevallen is uitgesloten? De meeste geleerden menen echter dat de nadrukkelijke vermelding van non-discriminatie zinvol is, omdat ongelijke behandeling niet altijd kan en zal worden opgevat als daadwerkelijk discrimineren. Discriminatie heeft dan een sterk pejoratieve betekenis: het stelselmatig bewust ongelijk behandelen van mensen op grond van hun kenmerken die zij niet kunnen of willen beïnvloeden met het oogmerk om hen op achterstand te zetten of te houden. Ik formuleer het expres zo, omdat er natuurlijk de afgelopen decennia ook veel discussies zijn gevoerd over de vraag of positieve discriminatie, het voortrekken van groepen om achterstanden kleiner te maken of op te heffen, eigenlijk niet ook onder het discriminatieverbod zou moeten vallen. Tijdens de behandeling van grondwetsherziening bleek er overigens zoveel onduidelijkheid te bestaan over wat nu precies onder discriminatie moest worden verstaan dat de toenmalige minister De Gaay Fortmann zei dat hij zich voelde als Augustinus toen hem naar de definitie van tijd werd gevraagd: als het mij wordt gevraagd, weet ik het niet, als het mij niet wordt gevraagd, weet ik het precies.[2]

Kortom, een ingewikkeld begrip, waarvan al direct bij het ontstaan duidelijk was dat het nader zou moeten worden ingevuld door de rechter en de wetgever. Daarbij speelde ook een rol dat regering en parlement indertijd niet helemaal zeker waren van de verstrekkendheid van artikel 1.  Moest het gelijkheidsbeginsel worden opgevat als alleen maar een klassiek grondrecht, dat wil zeggen: het beschermt de burgers tegen onjuist optreden van de overheid, of ook als een sociaal grondrecht, en vraagt het dus ook om nadere actie van de wetgever en het bestuur om gelijkheid ook echt te verwezenlijken? Uit de geschiedenis weten we inmiddels dat die actie er daadwerkelijk is gekomen, net zoals we nu ook weten dat rechters aan de grondrechtbepalingen vaak ook een horizontale werking geven: de norm geldt niet alleen verticaal tussen overheid en burger, maar ook tussen mensen onderling, horizontaal dus.

Een andere discussie, die tot op de dag van vandaag speelt, gaat over de opsomming van discriminatiegronden in artikel 1. Was dat wel zo verstandig? Er zijn immers nog een heleboel gronden die niet in artikel 1 zijn opgesomd en toch wel degelijk reden tot discriminatie kunnen vormen. Wat te denken van seksuele geaardheid, nationaliteit, taal, handicap of fysieke kenmerken zoals leeftijd? Sommige van die gronden zijn in wetgeving specifiek benoemd, andere niet of nog niet en de lijst is zeker niet uitputtend. Voor alle zekerheid kwam door een amendement van het communistische Kamerlid Marcus Bakker in artikel 1 te staan: “of op welke grond dan ook”. Maar wie dacht dat dat het nondiscriminatiebeginsel in de Grondwet nu definitief en voor de eeuwigheid was geformuleerd, vergiste zich. Menige minderheid heeft inmiddels gepleit voor toevoeging van een of meerdere discriminatiegronden. Ook nu liggen er voorstellen op de parlementaire tafel om seksuele gerichtheid, handicap en chronische ziekte aan artikel 1 toe te voegen.

Ik ben daar nooit een voorstander van geweest. Dat heeft te maken met de manier waarop ik naar de Grondwet kijk. Het COC noemde in een persbericht anderhalf jaar geleden artikel i de vlag op onze grondwet en die vlag zou best een beetje roze mogen zijn. Mooi uitgedrukt, maar het weerspiegelt ook precies mijn bezwaar. In de eerste plaats is het gelijkheidsbeginsel als grondrecht niet per se belangrijker dan andere grondrechten, al staat het in artikel 1 van de Grondwet. Maar belangrijker is dat we naar mijn overtuiging moeten voorkomen dat dat het gelijkheidsbeginsel steeds verder wordt gefragmentariseerd en geclaimd door elke bevolkingsgroep die met recht en reden ageert tegen achterstelling en uitsluiting.

Hoe meer discriminatiegronden in de Grondwet worden opgenomen, des te meer wordt de suggestie gewekt dat er sprake is van een rangorde, A en B-gronden, die bepalend zou kunnen zijn voor niet, een beetje of wel discrimineren. En het is echt onmogelijk om echt allesomvattend en uitputtend op te sommen. Moet arbeid er bij of alleen deeltijdarbeid (geen discriminatie voor deeltijdwerkers) en flexwerk dan? Kleding en andere uiterlijke keuzes? Ik noemde al eerder taal of nationaliteit. En wat te denken van sociale herkomst, opleidingsniveau of culturele achtergrond?  Moeten regio’s specifiek worden genoemd, of Koninkrijksdelen? Dat klinkt theoretisch, maar in de Tweede Kamer is bijvoorbeeld nu een initiatiefvoorstel aanhangig gemaakt dat eisen stelt aan het binnenlaten van inwoners van Curaçao of Aruba in Nederland, hoewel zij gewoon in het bezit zijn van een paspoort van het Koninkrijk der Nederlanden. Is dat geen discriminatie volgens artikel 1? En dan zwijg ik nog maar over de suggestie van een Kamerlid van de huidige coalitie om de kaft van het paspoort van Antillianen een ander dan het rode kleurtje te geven, dan zijn zij makkelijker herkenbaar.

Artikel 1 van de Grondwet is geformuleerd in een andere tijd en wellicht was het handiger geweest om de tekst nog simpeler te maken dan hij nu is.  In een meer leesbare Grondwet zou de tekst misschien kunnen luiden: “In Nederland zijn alle mensen voor de wet gelijk en is discriminatie verboden. De overheid waarborgt dit fundamentele rechtsbeginsel.”. Zoiets. Het heeft voordelen om geen specifieke gronden in de Grondwet te noemen om de redenen die ik net zei. Juridisch maakt het overigens niet veel uit: het discriminatieverbod is universeel en omvat alle denkbare ongerechtvaardigde onderscheid. Voor de belangrijkste maatschappelijke terreinen heeft de wetgever het verbod uitgewerkt in diverse regelingen zoals de Algemene Wet Gelijke Behandeling en specifieke wetten op het terrein van handicap en chronische ziekten. Bovendien kennen wij gelukkig een arsenaal aan strafrechtelijke bepalingen om tegen discriminatoire uitlatingen en handelingen op te treden.

Aardig is overigens dat de eerste echte geschreven constitutie van ons land, de Bataafse Staatsregeling, een artikel 3 kende dat luidde: Alle leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordelen.” Meer dan 200 jaar geleden zat die gelijkheid al aardig in ons bloed en ongetwijfeld is er ook toen al een stevig debat gevoerd over de formulering van die onderscheidingsgronden. Niets nieuws onder de zon dus. Het gelijkheidsbeginsel is een kernbegrip in onze democratische rechtsstaat, het ligt als uitgangspunt van verdelende rechtvaardigheid ten grondslag aan de gelding en werking van alle wetten en dus ook aan alle grondrechten. Met een fraaie staatsrechtelijke frase wordt dat ook wel aangeduid als een “preconstitutionele aanname”. Anders gezegd: zonder gelijkheid geen rechtsstaat.

Dames en heren,

Ik weid hierover uit omdat ik denk dat we inmiddels genoeg wettelijke mogelijkheden hebben om tegen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en discriminatie op te treden. Ik wil niet beweren dat er geen discriminatie meer is, integendeel. Maar wel dat steeds maar meer wetgeving daartegen niet helpt. En symboolpolitiek ook niet. Het is dan ook niet juist, zoals wel wordt gezegd, dat een grondwettelijk geformuleerde discriminatiegrond meer rechtsbescherming of meer kans van slagen in een procedure zou geven. Kortom: volgens mij moeten wij in de strijd tegen discriminatie onze aandacht niet op grondwettelijke aanpassingen richten, dat is niet zinvol. Bescherming van grondrechten is bovendien niet gebaat bij elke dag weer andere formuleringen.

Dat brengt mij bij een ander hardnekkig misverstand dat de discussie over het gelijkheidsbeginsel onevenredig beïnvloedt, nl. dat artikel 1, omdat ’t het eerste artikel van de Grondwet is, belangrijker zou zijn dan alle andere grondrechtbepalingen. Dat is het niet. Degenen die menen dat het non-discriminatiebeginsel boven alles gaat, ook boven de vrijheid van meningsuiting, hebben het mis. Net zoals anderen overigens die denken dat de vrijheid om te zeggen wat je wil altijd voorgaat en nooit mag worden begrensd door gelijkheid of godsdienstbescherming. Onjuist, ook al is zo’n denktrant best begrijpelijk. Iedereen in onze samenleving hecht aan zijn of haar eigen vrijheid. Voor de een is dat vooral de vrijheid om te gaan en te staan waar je wilt, voor de ander de vrije godsdienstbeoefening, voor een derde om gelijkwaardig mee te tellen en niet buitengesloten te zijn, en voor weer een ander het recht om wat dan ook te zeggen of te schrijven of te tekenen, zonder dat dat verboden of beperkt wordt.

Maar het één is niet belangrijker dan het andere. Het zijn allemaal accenten binnen de vrije en verantwoordelijke samenleving die wij samen willen vormen. Daarin moeten we zoveel mogelijk elkaar de vrijheid gunnen zonder de vrijheid van anderen daarmee in te perken.

De waarde van en betekenis van de verschillende klassieke grondrechten (de godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging, van vergadering en demonstratie, van gelijke behandeling, van kiesrecht en van meningsuiting) zou onvoldoende tot uitdrukking komen als van tevoren zou vaststaan dat het ene grondrecht altijd moet wijken voor het andere. Dat leidt bovendien tot een karikatuur van de betekenis van grondrechten die lager op zo’n ladder staan en tot vergroving van de maatschappelijke werkelijkheid.

In die werkelijkheid kunnen grondrechten botsen als ze worden uitgeoefend. Dat komt elke dag voor. Ik zou bijna zeggen dat daarom samenleven soms zo lastig is.  De godsdienstvrijheid van de een kan het recht om niet gediscrimineerd te worden van de ander aantasten. De voorbeelden kent u allemaal. En ongezouten je mening geven omdat je dat recht nu eenmaal hebt, kan een ander in zijn of haar bestaan, bijvoorbeeld als moslim of als humanist, in de kern raken.

Nu tien jaar geleden formuleerde ik namens de regering de nota ‘Grondrechten in een pluriforme samenleving’[3]. Dat was twee jaar na de moord op Pim Fortuyn, een half jaar voor de moord op Theo van Gogh, een periode vol onrust en onzekerheid over de stabiliteit van onze samenleving. De spanningen werden mede veroorzaakt door de manier waarop grondrechten als het ware werden opgeëist en door de onduidelijkheid over hun onderlinge verhouding. Ik concludeerde in deze nota, die gelukkig breed in de Tweede Kamer werd ondersteund, dat de Grondwet waarborgt dat in een steeds pluriformer geworden samenleving vreedzaam kan worden geleefd en dat er geen wijzigingen nodig waren. Evenmin was er behoefte aan een rangorde van grondrechten. Het praktiseren van tolerantie, wederzijdse verdraagzaamheid en permanente dialoog vormen essentiële voorwaarden om aan het samenleven inhoud te geven. Omgaan met verschillende gedragingen en praktijken in een dergelijke samenleving zal soms een aanzienlijk incasseringsvermogen van iedereen vragen. Juist dan is echter actieve deelname aan het maatschappelijk debat van groot belang.

Ik meen dat tien jaar later er geen reden is om hierop terug te komen, al zijn de omstandigheden wellicht gewijzigd. Tien jaar geleden ging het over uitlatingen van imams over homoseksualiteit en vrouwenrechten, uitlatingen van politici over de islam en het opheffen van het discriminatieverbod, over wel of geen kledingvoorschriften voor vrouwen in het onderwijs of de openbare dienst (chador, nikaab of zelfs hoofddoek) en het al dan niet weigeren van sommige bijzondere scholen van leerlingen van een andere godsdienstige gezindte. Vandaag de dag komen sommige van die vraagstukken terug en er zijn nieuwe vragen bij gekomen: wat kan een cabaretier zeggen, of een BN-er?  Hoe ver gaat de vrijheid van de politicus om te beledigen?

In wezen gaat het nog steeds om de botsing van mensen in de uitoefening van hun vrijheden. Die botsingen zijn onvermijdelijk omdat het discriminatieverbod grenzen stelt aan de vrijheden van de andere grondrechten en omgekeerd, die vrijheden mede de reikwijdte van het discriminatieverbod bepalen. Botsende grondrechten horen bij de horizontale werking die expliciet door de rechter en de wetgever is aanvaard. Het zijn dan ook de wetgever en de rechter die verplicht zijn om zorgvuldig die botsingen te wegen. Vooral de rechter moet dat doen, nu de omstandigheden per geval enorm kunnen uiteenlopen.

Overigens: alles wat ik over die nutteloze discussie over de hiërarchie van grondrechten zojuist heb gezegd, is een vorm van zelfplagiaat, want ik citeerde ruim uit die nota van 2004.

Kort en goed: zowel de overheid als de burgers hebben een taak, namelijk om alles te doen om ieders grondrechten zoveel mogelijk te respecteren en toch zorgvuldig samenleven mogelijk te maken. Om die grondrechten hanteerbaar te maken hebben we wetgeving, over gelijke behandeling in de praktijk, over de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid als je zegt wat je denkt, over de openbare orde die soms grenzen trekt voor betogingen. En we hebben dus de wijsheid van de rechter om in concrete gevallen een balans te vinden die aanvaardbaar is. Nationale en Europese rechters hebben tot dusverre aangetoond die verantwoordelijkheid te kunnen dragen.

Waar nodig kan de wetgever altijd inspringen. Zo is bijvoorbeeld recentelijk het verbod op godslastering uit het Wetboek van Strafrecht verdwenen. De wetgever meende dat dit niet alleen een dode letter was geworden maar ook een ongefundeerde extra bescherming bood voor gelovigen in vergelijking tot ongelovigen. De algemene bepalingen over het beledigen van groepen op grond van ras, geloof, levensovertuiging of seksuele gerichtheid zijn immers op iedereen van toepassing.

De wetgever zal binnenkort ook een finaal besluit moeten nemen over de zogeheten ‘weigerambtenaren’, die in een aantal gemeenten tot nu toe nog in staat worden gesteld om het sluiten van een wettelijk huwelijk tussen homo’s of lesbiennes te weigeren op grond van hun geloofsovertuiging. Lang werd dat getolereerd vanuit de gedachte dat de godsdienstige overtuiging van deze ambtenaren van de burgerlijke stand moest worden gerespecteerd zolang de gelijke behandeling van homo’s maar werd gegarandeerd door de overheid, desnoods door een andere ambtenaar aan te wijzen. Nu echter overheerst de opvatting dat individuele geloofsbeleving geen reden kan en mag zijn om ambtenaren niet te houden aan hun overheidsverplichting om de wet voor iedereen gelijkelijk toe te passen. Wie dat niet wil of kan, is niet geschikt als ambtenaar. Mijn collega’s in de Eerste Kamer inschattend, wordt deze initiatiefwet van D66 over een maand met ruime meerderheid aanvaard. Een mooi voorbeeld hoe de wetgever de weging van grondrechten toepast tegen de achtergrond van de maatschappelijke context. Die is niet onveranderlijk en dus moet ook het recht steeds opnieuw worden gewogen en niet gefixeerd en vastroesten in de Grondwet.

 

Dames en heren,

Er bestaan liberale en conservatieve denkers die menen dat de vrijheid van meningsuiting het alpha en omega dient te zijn. Voormalig VVD-minister Atzo Nicolai zei bijvoorbeeld enkele jaren geleden hier in zijn Daleslezing dat de beste weg naar gelijkheid is de vrijheid van meningsuiting. In zijn opvatting mag het gelijkheidsbeginsel op geen enkele manier aan die vrijheid in de weg staan en moet degene die zich gekwetst voelt door uitlatingen van anderen leven naar het adagium: negeer of verweer.

Ik hoop duidelijk gemaakt te hebben dat ik tegen zo’n benadering overwegende bezwaren heb. Het plaveit een weg van scherpe confrontatie en intolerantie tussen bevolkingsgroepen uit naam van de heiligverklaarde freedom of speech. Het doet bovendien ernstig afbreuk aan de balans die in een evenwichtige samenleving moet bestaan tussen individuele expressie en collectieve verantwoordelijkheid. Die laatste is hier zoekgeraakt. De vrijheid om je opvattingen te debiteren mag natuurlijk nooit een ongebreidelde vrijbrief vormen om anderen te beledigen of in woord en geschrift te discrimineren.

Dat wil overigens niet zeggen dat wij daarin overdreven voorzichtig moeten zijn. Robuuste uitspraken zijn niet per definitie discriminatoir. In elke volwassen samenleving moet kunnen worden geïncasseerd. Het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod zijn tenslotte geen raketschilden tegen elke van de goegemeente of de goede smaak afwijkende opinie. Tolerantie bewijst zich wat mij betreft pas in de acceptatie van juist die opvattingen die mentaal het verst van mijn wereldbeeld verwijderd zijn.

Hoewel ik dus helemaal niet geloof in het absolute karakter van de vrijheid van meningsuiting (noch in dat van het gelijkheidsbeginsel) pleit ik wel sterk voor terughoudendheid van de wetgever en de rechter op dit vlak. De overheid vermag niet alles. Heel wat onwelgevoeglijks en onsmakelijks dat in de samenleving wordt gegooid, moet door die samenleving zelf worden opgevangen en ontmanteld. Daar is het vrije discours voor. Correctie en weerwoord hoeven niet altijd van de overheid te komen. Sterker nog: soms kan ingrijpen van de overheid averechts werken, een debat dat gevoerd moet worden juist in de kiem smoren of het vuur dat gedoofd leek juist verder oplaaien. De samenleving heeft denk ik veel intern reinigingsvermogen, maar moet daartoe wel de kans krijgen.

Vergis u niet. Mijn afschuw van vele vormen van dag-in-dag-uit-discriminatie is even groot als die van u. De vraag is echter steeds: is de overheid aan zet of de samenleving zelf?  Die laatste kan soms wel wat meer zelf doen. Gordon, die meent grappen te kunnen maken over de hoofden van de Chinees-Nederlandse bevolking, kreeg lik op stuk van een aantal Chinese restauranthouders, prima. Maar werd hij gecorrigeerd door RTL, de omroep die zijn wansmaak uitzond? Helaas niet. En Youp van ’t Hek dan, die Gordon op zijn beurt in de NRC een “geblondeerde reetridder” noemde? Heeft iemand besloten om in het vervolg zijn columns te boycotten of de NRC niet meer te kopen? Ik denk het niet. De cabaretier zelf meent dat de rechtvaardiging wordt gevonden in de vraag of iets humor is of niet. Zijn grap natuurlijk wel, die van Gordon niet. Zoals Maxim Februari het formuleerde: De regels van het samenleven gleden voor iedereen, maar we slaan er vooral Gordon van harte mee om de oren.[4]

Ik heb mij afgevraagd of de incidenten rond Gordon, Van ’t Hek, Mart Smeets die in een tv-programma iets zei over een bestraffende Amstelveens-joodse manier van kijken, of Nico Dijkshoorn die twitterde over de overleden ‘hoofdpiet’ Mandela, iets zeggen over een toegenomen ruwheid en onbeschaafdheid in de publieke ruimte die gemakkelijk kan omslaan in pure discriminatie. Of misschien veeleer het omgedraaide: dat wij juist gevoeliger zijn geworden voor dit soort uitingen in een ongeremde en ongetemperde maatschappij en daar gelukkig niet langer schouderophalend aan voorbij willen gaan. Ik blijf het antwoord schuldig, maar hoop wel op het laatste. De samenleving zelf is aan zet, niet alle zegen kan van de wetgever komen, of van het openbaar ministerie en de rechter.

Black Pete is ook zoiets. Hij splitst de publieke opinie in tweeën. Overheden weten niet precies wat ze er mee aan moeten, politici roepen a la Mark Rutte dat zware piet nu eenmaal zwart is en bovendien traditie. Er zijn maar weinigen die beweren dat het feit dat een als zwarte piet geschminkte vrijwilliger in sinterklaastijd met zakken snoep zeult een vorm van bewuste, directe discriminatie is, racisme zelfs, gericht op het stelselmatig achterstellen of uitsluiten van donkergekleurde mensen. Maar het maatschappelijk debat over de toekomst van pieterman (met één of twee oorbellen dan wel geschilderd in alle kleuren van de regenboog) heeft menigeen, ook mij, aan het denken gezet. Over het in standhouden van beelden en vooroordelen, over onze eigen geschiedenis, over de evolutie van volksfeesten en over de rol van de overheid in dit alles.

Burgemeester Eberhart van der Laan van Amsterdam, die met bezwaarschriften tegen de sinterklaasintocht werd geconfronteerd, legde in een brief aan zijn gemeenteraad de vinger op de zere plek. Het feest zelf is in zijn hedendaagse vorm niet racistisch te noemen, eerder verbindend. Maar de geschiedenis van het feest kan wel tot racistische uitingen aanleiding geven. Waar dergelijke pijnlijke ervaringen bestaan is er reden om te bezien of wij dit probleem kunnen oplossen. Maar ‘wij’ is niet de burgemeester, aldus Van der Laan. Het is in zijn ogen geen bestuurlijke kwestie of zou het niet moeten zijn, het is een vraag aan het volk, aan de samenleving die daarover moet discussiëren en vervolgens conclusies moet trekken die voor overheden en parlement leidend zijn.[5] En niet omgekeerd.  

Een wijze opstelling van mijn oud-collega die de verantwoordelijkheid daar legt waar die hoort en zo alle ruimte biedt voor een intensieve maar ook zorgvuldige maatschappelijke oordeelsvorming over gelijkheid en discriminatie, over traditie en zorgvuldige bejegening. Een voorbeeld wat mij betreft van hoe wij met veel alledaagse vraagstukken van gelijke behandeling moeten omgaan.

Want er valt nog veel te doen. Wat denkt u, tot slot, van dat kleine berichtje in een krant[6] over een jonge Turkse vrouw die arbeidsongeschikt raakte na een aanrijding door een motorrijder en van haar verzekeraar een schadevergoeding krijgt van 70.000 euro in plaats van 550.000 euro, wat in dit soort gevallen gebruikelijk is. De verzekeraar maakte de inschatting dat deze vrouw als ze nog gezond was geweest op grond van haar geslacht en haar afkomst een geringe kans had gehad om lang aan het arbeidsproces deel te nemen. Turks en vrouw, eigen schuld, dikke bult….

Dames en heren,

De overheid vermag niet alles, maar ons grondwettelijk stelsel en de manier waarop we de rechtsstaat hebben georganiseerd stellen ons voldoende in staat om op te treden tegen evidente schendingen van het discriminatieverbod. Als burgers hun vrijheden gebruiken en daarbij botsen is niet een rangorde in die vrijheden maar een wijs oordeel van de rechter aangewezen. Maar op de allereerste plaats is het aan de samenleving zelf om het niet zover te laten komen. Het debat over het niveau van onze maatschappelijke beschaving verdient meer aandacht en meer intensiteit. Gelijke behandeling in een pluriforme samenleving vraagt van iedereen invoelingsvermogen en inschikkelijkheid. Gelijk zijn is immers nog niet hetzelfde als gelijk krijgen.    

Dank u wel.

 



[1] J.E. Goldschmidt, Artikel 1 Grondwet. Vlaggeschip met eigen koers?, in: De Grondwet als voorwerp van aanhoudende zorg, Burkens-bundel, Zwolle, 1995, p. 61

[2] Handelingen Tweede Kamer, 1976-1977, p. 2150, aangehaald in C.A.J.M. Kortmann,  De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987, Deventer, 1987, p.62

[3] Nota grondrechten in een pluriforme samenleving, 17 mei 2004, Kamerstukken 29 614, nr 2

[4] Maxim Februari, RTL en NRC, NRC.nl, 10 december 2012

[5] Brief burgemeester Amsterdam aan gemeenteraad, 30 oktober 2013, inzake uitspraak bezwaarschriftencommissie intocht Sinterklaas

[6] Volkskrant, 27 december 2013