Ik vond de wetboeken bij het grof vuil. Het kon niet anders of ze moesten van een diep gedesillusioneerde student rechten zijn geweest want ze waren nog gaaf. En hij moet zo boos zijn geweest dat hij in plaats van ze te verkopen de boeken meteen linea recta de straat opsmeet. Terug van judoles kwamen de boeken op mijn pad. Heel zelden vond ik boeken op straat en nog niet eerder wetboeken dus raapte ik ze op, gooide ze in mijn rugzak en snelde naar huis waar ik me de artikelen stortte. Snel ging ik op zoek naar de afdeling moord en doodslag. Zedendelicten, ook heel interessant. De grondwet bladerde ik ook. Daar stond het: Het artikel 1 dat ons vandaag bij elkaar heeft gebracht.

  

                        Als we willen zien of onze idealen in de werkelijkheid hun werk doen dan moeten we kijken naar de positie van minderheden. We zijn zo goed als onze omgang met minderheden. Zij zijn de graadmeter van onze open samenleving.

            We zien dan dat er sprake is van succesvolle, minder succesvolle en onzichtbare minderheden. Succesvolle minderheden worden uitbundig geprezen, minder succesvolle minderheden worden bekritiseerd en onzichtbare minderheden worden genegeerd.

            Bij het voorbereiden van deze lezing heb ik de voorgaande lezingen doorgebladerd en steeds komt de multiculturele samenleving terug, dan weer als ideaal, dan als werkelijkheid en dan als een politiek-correct misbaksel dat in zijn volledigheid afgewezen dient te worden. Dat laatste is een citaat dat op vele internetfora de ronde doet, vooral geuit door mensen die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig zijn te zien aan de vele spelfouten en gebrekkige omgang met interpunctie!

             Wat me opviel aan die lezingen is dat al heel vroeg wordt gewezen op het brandbare, karakter van de multiculturele samenleving. Niet alleen is er een definitieprobleem, er is ook een kenprobleem. Niemand kan de multiculturele samenleving onder woorden brengen. De samenleving ontglipt ons. Politici, sociologen, filosofen en bestuurders: allen worstelen ze met de essentie van deze samenleving. Alleen al om deze reden vind ik het prijzenswaardig dat de stichting een schrijver heeft uitgenodigd om een en ander te duiden. Beter laat dan nooit.

 

            Vraagt men autochtonen in gemengde buurten wat ze van hun buurt vinden dan zijn de reacties gemengd.

             “Het is al te laat, zo kan je horen of Mijn buurman is een Marokkaan die is goed. De rest deugt niet. Jonge stelletjes hebben niks dan lof over voor de witlof van de Turkse groenteboer en de goedkope koteletjes van de Marokkaanse slager. Kom maar door met die merquez!

            Vraagt men allochtonen in gemengde wijken wat men van hun buurt vindt dan hoor je vaak: Mijn Nederlandse buurman deugt, de rest niet. En we hebben alles in deze beurt. Zelfs een Marokkaanse Lesbische Leeskring. Er zijn succesvolle gemengde buurten en minder succesvolle gemengde buurten. Laten we voor eens en altijd een succesvolle multiculturele buurt definieren. Een beetje multiculturele buurt heeft vier Turkse groenteboeren die elkaar kapot concurreren maar wel neven van elkaar zijn. Een Marokkaanse slager die er al 25 jaar is en drie anderen die om het jaar van eigenaar wisselen. Er is een Marokkaanse bakker en een Turkse bakker. Tegenover elkaar. Er is een moskee waarvan niemand weet wie de haatimam is. Er is een moskee waar je pas in de Ramadan achter komt dat het een moskee is. Er is een shoarmazaak die wordt gerund door een Afghaan die elke keer opnieuw zijn vluchtverhaal vertelt. Er is een Turkse kleermaker wiens kinderen rechten studeren. Er is een Poolse supermarkt die maar drie dingen verkoopt: worst, bier en aanstekers. Er is een hipster-cafe dat profiteert van de lage huren waar nooit een allochtoon zit want de koffie is duur en de barvrouw is lelijk.

 

            Mijn eigen standpunt is dat de afgelopen vijfentwintig jaar het praten over die multiculturele samenleving is toegenomen zonder dat het Nederland diverser heeft gemaakt. Wie kijkt naar de media, literatuur, kunsten, wetenschap en politiek ziet dat deze overwegend blank zijn gebleven. Omzichtig wordt om de hete multiculturele brei heen gedanst.

            Het publieke debat is verschoven van bejubeling of afkeuring van de multiculturele samenleving naar verbaal stokvechten over multiculturele themas die door gekleurde activisten zijn geagendeerd. Het voorheen intellectuele debat is eindelijk bij de gewone man aangekomen. Ook hij kan nu meediscussieren over de multiculturele samenzwering. Het interessante is dat veel mensen deze allezins interessante discussie afwijzen. Het zou polariserend zijn, het zou het debat meer kwaad dan goed doen.  Men praat liever over de multiculturele samenleving dan over Zwarte Piet en de hoofddoekjes. Het eerste verplicht tot niets, het andere beroert primitieve hartstochten. We komen dan in een gemoedstoestand die iedereen die een allochtone achtergrond heeft goed kan aanvoelen: het anders-zijn wordt door de homogene buitenwacht vroeg of laat geproblematiseerd. Vroeg of laat krijgt men de Zwarte Piet toegestoken.

            De Zwarte Piet-discussie heeft geleid tot een cultuurstrijd die laat zien hoe urgent ons artikel 1 is.

            Als artikel 1 opgeld doet dan mag het nooit leiden tot het blootstellen van bevolkingsgroepen aan in hun ogen stereotype beelden, zelfs als deze goed bedoeld zijn. Wanneer is men gekwetst en kan men gekwetstheid meten? Is respect vanzelfsprekend? Ah, de prijs van de open samenleving doet zich gevoelen. Artikel 1 biedt alle groepen in Nederland de ruimte om zich gekwetst te voelen. En niemand gaat vrijuit. Is het niet beter om artikel 1 als een ironische oproep tot gelijkheid op te vatten? Zit in het artikel al niet de relativering verbogen waar heden ten dage zo naarstig naar wordt gezet? Neem mij niet al te serieus, gelijkheid is moeilijk. Ik ben een aanzet, niet eens een verplichting. Ik kietel uw hooggestemde verwachting, uw blinde verlangen! Por de wereld wakker.

 

            Artikel 1 heeft islamofobie, homohaat en seksisme niet voorkomen dus wat preventie betreft is het een dode letter. Het spoort aan maar het straft niet af. Het stelt de moreel, maar laat het aan de individuele leden van de samenleving om een en ander in goed overleg uit te voeren. En dat is maar goed ook want voordat je het weet zit de helft van Nederland in de gevangenis. Zolang wij artikel 1 niet met zachte, ironische blik lezen zullen we ons altijd in het mijnenveld begeven.

            Het aardige van Nederland is dat men onderling een zekere goedmoedige tolerantie heeft als het gaat om het maken van foute grappen over minderheden en andersgeaarden. De foute grap is de uitlaatklep van het slechte geweten. Soms promoveert zon foute grap zich tot politiek leider en is het de ultieme ambitie van de politieke leider om op de televisie een foute grap te mogen maken. En er nog weg mee te komen ook. Dat is de ultieme Nederlandse carriere: op bedrijfsfeesten het hoge woord mogen voeren zonder dat iemand je durft tegen te spreken.

            Maar kwalijker vind ik de houding van mainstreampolitici om zich eerder te concenteren op de antidiscriminatiestrijd voor minderheidsgroepen die geaccepteerd zijn in de samenleving en diezelfde strijd voor minderheden die minder goed liggen wat te verzaken. Laat me een voorbeeld geven. Mevrouw Bussemaker wil dat docenten op middelbare scholen zich actiever inzetten om homohaat en antisemitisme onder vmbo-leerlingen te bestrijden. Geweldig initiatief, sta ik helemaal achter waarna ik Bussemaker een half uur lang hoor praten over homohaat en antisemitisme onder jongeren zonder dat ze de pijnlijke waarheid benoemt dat deze jongeren zelf op dagelijkse basis blootstaan aan islamofoboe, discriminatie en racisme! Bussemaker is blind voor de realiteit en laat zich teveel meeslepen door politieke stoerdoenerij. Bestrijding van vooroordelen en discriminatie kan alleen effectief gebeuren wanneer de betrokkene zich bewust is van het racisme en discriminatie die hem wordt aangedaan.

In het geval van VMBOers - die in de grote steden moslim zijn - is dat overduidelijk: waar deze jongeren hebben dag in dag uit te maken met vooroordelen over hun identiteit. Ze weten niet beter of sinds hun kindertijd worden ze negatief geframed in de media, aangesproken op hun achtergrond en veroordeeld om wie ze zijn. Zij hebben geen welbespraakte woordvoerders als Boris van Ham of Boris Dittrich of pittige feministische voorhoedelopers. Zij spreken de taal van de straat. Tusen hen en de docenten gaapt een gigantische kloof die geen artikel 1 dempen kan. In de tussentijd hebben deze jongeren ook niet stilgzeten. Ze bezoeken websites, kijken naar buitenlandse schotelantennes en praten met gelijkgestemden waardoor het gebeurt dat een leerling in de derde klas VMBO de situatie in het Midden-Oosten beter weet te duiden dan de docent die voor hem staat. Zo veegt Bussemaker met vmboers haar stoepje schoon, doet een leuke uitspraak en gaat weer over tot de orde van de dag.

            Beter zou het zijn als deze leerlingen gewoon weer goed taalonderwijs kregen waarin  ruime aandacht wordt besteedt aan stijlfiguren als karikatuur, ironie, sarcasme, zwarte humor, hyperbool, understatement en double entendre. Kunnen jonge mensen eenmaal een gecodeerde boodschap op zn merites beoordelen dat is dat een overwinning voor de rede. Men wapent zich het best tegen kolderieke scheldpartijen in het harnas van de duiding.

            Ik wil nu de homos een veer in de reet steken en ze ook kapittelen.

            De kracht van de homobeweging is dat ze het nooit zover hebben laten komen dat de AIDS-epidemie die in het Westen zoveel slachtoffers maakte tegen heb gebruikt werd of leidde tot een anti-homobeweging die niet in bepaalde wijken mochten wonen, geen toegang kregen tot banen of zich uitentreuren moesten verantwoorden dat er ook goede homos zijn. Er wordt terdege rekening gehouden met de belangen van homos, lesbiennes.

            Wanneer het in een talkshow het over de rechten van homoseksuelen gaat dit debat door een goeduitziende man strak in het pak wordt gevoerd terwijl op de achtergrond daarmee corresponderende beelden worden vertoond. Allemaal beschaafde homo's die je buurman of buurvrouw hadden kunnen zijn.

            Neemt in het Marokkanendebat een frisse jongen of vrouw plaats dan verschijnen op de achtergrond tenenkrommende plaatsjes van dociele vrouwen met hoofddoeken of, nog erger, criminele boefjes met petjes op die wegkijken. De kracht van het frame slaat toe. Zou diezelfde homoseksuele vertegenwoordiger begeleid worden door halfnaakten bears in een darkroom dan was Leiden in last. Als het gaat om moslims dan passeert alles. Waarom? Moslims worden boos, homos sturen een persbericht. Het eerste haalt de media, het tweede haalt de macht.

            Hoe komt het toch dat moslims de plank misslaan? Zoals altijd is het de schuld van de moslims. Wat hoogopgeleide minderheidsgroepen goed hebben begrepen is dat de publieke ruimte met zijn vrijheid van meningsuiting juist minderheden alle ruimte geeft om de eigen zaak te behartigen. Vanuit die besef wordt de strijd voor vervolgde homos in Oeganda gevoerd. Men heeft vertrouwen in de publieke ruimte. Bij moslims ligt dit vertrouwen een stuk minder. Er is zelfs sprake van regelrecht wantrouwen. Men beschouwt de media als anti-moslim.

            En hier stuiten we op het fundamentele probleem dat onderdeel is van die voorgenoemde cultuurstrijd: groepen die middels hun netwerk waarin Den Haag, Hilversum en de burelen van de grote kranten met elkaar vervlochten zijn media als een natuurlijk verlengstuk zien van hun macht en invloed en aan de andere kant diverse minderheidsgroepen die door het ontbreken van een netwerk de media zien als een tegenwerking van hun invloed en macht. Voor hen is de media een katalysator van stereotypen en verkleint daardoor de vrijheid van meningsuiting. Bij een onthaal door hoogopgeleide Marokkaanse mannen ging het na vijf minuten over een strategie om de media Marokkaan-vriendelijker te laten berichten. Er zou een oorlogskas opgericht moeten worden om dit soort initiatieven te ondersteunen, opperde iemand.

           

 

            Waar zit de schrijver in dit verhaal?

            Schrijvers waren de eersten die de vrijheid van meningsuiting bevochten waarbij ze hun scherpe pen en aanzien gebruikten om een breed publiek te bereiken. 

            Jarenlang hing er in mijn studentenkamer een voorpagina van de Franse krant LAurore uit 1898. Over de breedte van de voorpagina stond in grote chocoladeletters: JAccuse. Ik beschuldig, schrijft de ziedende Zola aan de president van de Republiek, waarna een lange lijst van namen volgt. Allemaal beschuldig van een samenzwering tegen de onschuldige Dreyfus.

            Hier nam Emile Zola, de literaire roeptoeter van die dagen, het op voor een uit zijn rang ontheven joodse militair, Dreyfuss. De katholiek nam het op voor de jood. De schrijver ging voor de militair staan. Dreyfuss was slachtoffer was geworden van een antisemitische samenzwering. Over standverschil en reputatie heen maakte Zola gebruik van de media om zijn stem te laten horen en daarmee de vrijheid van meningsuiting te democratiseren. Iedereen kan er aan deelnemen, ongeacht ras of afkomst of politieke standpunt, laat staan sekse. Alleen een schrijver kon zoiets doen zonder beschuldigd te worden van politieke spelletjes of machtsstrijd. Ik was diep onder de indruk van de autonomie van Emile Zola. Hij deed iets wat geen andere persoon van zijn status had gedurfd.

             Zo wist hij  honderdduizenden mensen te mobiliseren in de zaak. De zaak kwam in een stroomversnelling en een jaar later was Dreyfus gerehabiliteerd. De vrijheid van meningsuiting had zijn ultieme overwinning behaald. Het vertrouwen in de Republiek nam ermee toe, de joodse burgers voelden zich veiliger en de positie van de geengaeerde schrijver was gevestigd. De kracht van de schrijver is om door belangeloos optreden de zaak in het vrije woord te doen toenenemen. Omdat hij geen andere belang dient dan die van de mensheid ontdoet hij de publieke ruimte van zijn belastende, politieke gewicht. Kijk, wijst de schrijver, wij zijn van de wereld en de wereld is van iedereen.

             Misschien heeft de multiculturele samenleving een Emile Zola nodig, iemand die diegenen die haar een slechte naam bezorgen aanklaagt. Helaas, de multiculturele samenleving is geen uit zijn rang ontheven militair. Het is een werkelijkheid waarvan de leden zelf uitmaken wat ermee gebeurt.