Dames en heren,

Ik vind het echt een enorme eer dat ik hier de Burgemeester Dales Lezing mag houden. Een bijna twintigjarige traditie waarmee u in Nijmegen de herinnering aan Ien Dales levend houdt en jaar in jaar uit aandacht vraagt voor artikel één van onze grondwet. 

Dat vind ik geweldig.

Het klinkt misschien een beetje raar, maar ik zie Ien Dales nog dagelijks… 

Haar foto hangt in de gang naar mijn werkkamer op het ministerie. (In een portrettengalerij.) Naast Joop den Uyl.

Zij was (van 11 september 1981 tot 29 mei 1982) staatssecretaris toen hij minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was. 

Dat was in het niet zo gelukkige tweede kabinet-Van Agt, dat al na acht maanden viel. 

In die korte tijd had Ien Dales wel indruk gemaakt. Ook op de kiezers, want ze kwam (bij de verkiezingen van september 1982) met bijna dertigduizend voorkeurstemmen in de Tweede Kamer.

Ik denk dat mensen, net als ik, hielden van haar eigenheid, misschien kan ik beter zeggen: haar ienigheid. 

Dat onverstoorbare, onconventionele, waardoor ze aan het Binnenhof zo opviel; wars van uiterlijk vertoon en met een soms zichtbare hekel aan (Haags) geneuzel. 

Ik herinner me vooral de tijd dat ze, na haar burgemeesterschap in Nijmegen, minister van Binnenlandse Zaken was. Ik werkte toen als medewerker van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer en was onder de indruk van haar directe en doortastende manier van werken. Ze zei unverfroren waar het op stond. 

Dit was ook de tijd waarin ze (samen met de ministers Ernst Hirsch Ballin, Hedy d’Ancona en staatssecretaris Elske ter Veld), de Algemene wet gelijke behandeling in de Tweede Kamer verdedigde. Een wet waarmee artikel één van onze Grondwet verder werd uitgewerkt en burgers, ik citeer Ien Dales, “een grotere rechtszekerheid kregen bij de bestrijding van discriminatie.”

Ze wees daarbij naar buiten – “Daar staat het allemaal”  – naar het kunstwerk naast het parlement (van architect Pi de Bruijn aan de Hofplaats) waarin de tekst van artikel één van de Grondwet in marmer is gebeiteld.  

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

In de nieuwe wet werd een andere ontoelaatbare discriminatiegrond expliciet genoemd: discriminatie op grond van homoseksualiteit, of, zoals het letterlijk in de wet staat, hetero- en homoseksuele gerichtheid.

Ien Dales noemde het – en dat was voor haar doen een hele bekentenis – “persoonlijk een mijlpaal.” 

Door haar voortijdige dood heeft ze helaas niet meer mee kunnen maken dat de wet, haar wet, van kracht werd, maar haar opvolger als minister, Ed van Thijn, noemde het hier vijftien jaar geleden terecht één van haar grote wapenfeiten. (*Burgemeester Dales Lezing 2001) 

Ien Dales zette zich met hart en ziel in voor een samenleving waar ik me ook voor inzet: 

een sociale en solidaire samenleving waarin iedereen volwaardig mee kan doen, 

gelijkwaardig mee kan doen. 

Zonder te discrimineren en zonder gediscrimineerd te worden.

Of je nou vrouw of man bent. 

Of je nou homo of hetero bent. 

Of je ouders nou in Arnhem of Ankara zijn geboren. 

Hier mag je zijn wie je bent, mag je geloven wat je wilt, en geef je anderen ook de vrijheid om te zijn wie ze zijn en te geloven wat ze willen. 

Hier mag je vanwege je huidskleur, je homoseksualiteit, je handicap niet worden uitgesloten, niet worden uitgestoten.

Hier mag niemand als tweederangs burger worden behandeld.

Artikel één van onze Grondwet zegt duidelijk dat discriminatie op welke grond dan ook is verboden. Dat betekent dat je discriminatie op grond van seksuele geaardheid of handicap er niet expliciet aan toe hoeft te voegen. Toch zou ik het geen gek idee vinden om dat wel te doen. Voor juristen is het misschien niet nodig, maar voor homo’s, lesbiennes, biseksuelen, transgenders en mensen met een handicap zou het veel (kunnen) betekenen als het wel gebeurt.   

Artikel één is een dikke dertig jaar oud. (1983) 

De grondwet van ons koninkrijk iets meer dan tweehonderd jaar. (1815)

Het grootste deel van die tijd hebben vrouwen geen gelijke rechten gehad. Daar hebben ze hard en lang voor moeten soebatten en strijden. 

Pas in 1918 kregen vrouwen passief kiesrecht en werd Suze Groeneweg, van de SDAP, als eerste vrouw in het parlement gekozen. 

Vier jaar later, in 1922, mochten vrouwen voor het eerst stemmen bij de Tweede Kamerverkiezingen. 

Dat is niet zo gek lang geleden: mijn oma’s hebben het nog meegemaakt.

Tot halverwege de jaren vijftig van de vorige eeuw waren getrouwde vrouwen niet handelingsbekwaam. Ze mochten zelfstandig geen bankrekening openen, geen verzekering afsluiten, geen rechtshandelingen verrichten. Dat kon alleen met schriftelijke toestemming van hun man. 

Werkende vrouwen in het onderwijs en in overheidsdienst werden ontslagen zo gauw ze trouwden. Daarna werd hun man geacht de kost te verdienen en werden zij geacht zich volledig wijden aan de drie k’s: kinderen, keuken en kerk.

Dat heeft de generatie van mijn moeder nog meegemaakt. 

Zestig jaar geleden kwam er een eind aan dit arbeidsverbod voor getrouwde vrouwen. (Mede) dankzij een memorabele motie van  ‘mejuffrouw Tendeloo’, zoals ongetrouwde vrouwen toen nog werden genoemd. Corry Tendeloo, lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid:  

 “De Kamer, gehoord de besprekingen (over het K.B. van 13 september 1955), van oordeel dat (behoudens bij het blijken van misstanden) het niet op de weg van de Staat ligt arbeid van de gehuwde vrouw te verbieden, nodigt de Regering uit de hiermede strijdende voorschriften te herzien.”

De katholieke minister Louis Beel en de mannen van de confessionele partijen in het parlement waren hoofdschuddend tegen, maar de motie werd met een minieme meerderheid aangenomen, omdat de vrouwen in de Tweede Kamer één front vormden. Ook de vrouwen van de confessionele partijen. Alle mannen in hun fracties waren tegen, maar zij gooiden de kont tegen de krib.

Ook Marga Klompé, van de Katholieke Volkspartij, die een jaar later de eerste vrouwelijke minister van ons land werd. (*In het derde kabinet-Drees.) 

Ook freule Wttewaall van Stoetwegen, van de Christelijk-Historische Unie. Zij vertelde dat ze goed had geluisterd naar alle “mannen van gezag” , maar – en nu citeer ik de “rode freule” –  “ik ben er niet toe kunnen komen om de conclusie van discriminatie uit mijn rechtsbewustzijn weg te werken.”

Ik ben als sociaaldemocraat natuurlijk supertrots op strijdbare vrouwen als Suze Groeneweg en Corry Tendeloo, maar ik heb niet minder waardering voor vrouwen als freule Wttewaall van Stoetwegen en Marga Klompé, die de weerstand in eigen kring trotseerden. 

Zonder de steun van deze vrouwen was die motie destijds verworpen. 

Ik zie dat als een duidelijk voorbeeld van vrouwenpower.  

Stap voor stap zijn we vooruitgekomen met nog meer feministische kracht. Van Joke Smit, Dolle Mina, Rooie Vrouwen en Hedy d’Ancona, die destijds samen met Ien Dales staatssecretaris was op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – staatssecretaris voor emancipatiebeleid. 

Vrouwen hebben nu gelijke rechten, maar

nog steeds verdienen vrouwen minder dan mannen, 

nog steeds bezetten vrouwen minder topfuncties dan mannen,

en nog steeds besteden vrouwen meer tijd dan (hun) mannen aan het huishouden en de zorg voor de kinderen.

Zolang Nederland nog geen vrouwelijke minister-president heeft gehad, zult u mij niet horen zeggen dat de emancipatie is voltooid.

Er valt nog wel wat te verbeteren aan de positie van de vrouw. 

Dit kabinet doet dat ook. Zo heeft Lodewijk Asscher (minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) concrete maatregelen genomen om het vrouwen – en mannen – makkelijker te maken arbeid en zorg te combineren. 

Met betere verlofregelingen. Met betaalbare en betrouwbare kinderopvang. 

Jet Bussemaker (minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) zet zich in om de  economische zelfstandigheid van vrouwen verder te bevorderen en meer vrouwen door te laten stoten naar de top. 

Het blijft nodig om de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te verbeteren, het blijft nodig om de cultuur te veranderen, maar gelukkig zie ik overal vrouwen – en mannen – die daar gedreven aan werken.

Dat energieke enthousiasme zie ik ook bij mensen met een handicap.

De tijd is voorbij dat ze zich  gelaten en gedwee aan de zijkant van de samenleving lieten wegzetten. Geparkeerd in een mooie instelling in het bos. 

Begin jaren zestig (*26 en 27 november 1962) werd op televisie de legendarische inzamelingsactie “Open Het Dorp” gehouden. Met Mies Bouwman. Om geld in te zamelen voor een eigen woongemeenschap voor mensen net een handicap. Een apart dorp. Bij Arnhem. 

Nederlanders gaven gul, omdat ze dachten dat het voor mensen met een handicap het beste was om een eigen dorp te hebben. Het was geweldig goed bedoeld, maar het is niet wat mensen met een beperking nu willen. 

Overal in het land kom ik mondige mensen tegen die dat juist niet willen. Ze willen niet aan de zijlijn worden geparkeerd, maar middenin de samenleving meedoen. Net als ieder ander. 

Liever in gewone bedrijven dan in sociale werkplaatsen. 

Zeker de jongere generaties eisen hun plaats op. Jongeren met een beperking willen niet als zielenpiet worden behandeld. Ze willen net als alle andere jongeren gewoon meedoen. Daar hebben ze ook recht op. Net als alle andere jongeren verdienen ze de kans hun talenten te ontwikkelen. 

Het hebben van een handicap (of een chronische ziekte) mag geen reden zijn om mensen buiten te sluiten, uit te sluiten. 

Absoluut niet. 

Mensen met een beperking moeten zo veel mogelijk, zo volwaardig mogelijk mee kunnen doen in de samenleving. 

Niet apart leven, apart leren en apart werken. Maar samen leven, samen leren en samen werken.  

Het liefst met elkaar op de werkvloer. Als collega’s onder elkaar. 

Dat is echt wezenlijk voor mensen.

Daarom ben ik ook zo blij dat de organisaties van werkgevers de garantie hebben gegeven dat ze de komende jaren 100.000 mensen met een arbeidsbeperking extra aan de slag gaan helpen; en dat de overheid nog eens 25.000 mensen extra in dienst gaat nemen.  

Er zijn mensen die er een hard hoofd in hebben, maar ik heb er alle vertrouwen in dat het ons gaat lukken. 

Ik reken er ook op dat het gemeenten en sociale partners (in de werkbedrijven) lukt om de juiste mensen op de juiste plek te krijgen. Als het ergens moet lukken, dan is het op lokaal en regionaal niveau. 

Natuurlijk zijn er werkgevers die een moeilijk gezicht trekken als je ze vraagt of ze mensen met een arbeidsbeperking in dienst willen nemen. Maar weet u? Dat hoort bij het bekende wat-de-boer-niet-kent-gevoel…. 

Ik herinner me nog dat er Nederlanders waren die met een achterbak vol aardappelen naar Italië of Spanje op vakantie gingen, omdat ze bang waren dat ze het eten daar niet zouden lusten. 

Die Nederlanders kom ik niet meer tegen. Nederlanders hebben gemerkt dat er niks mis is met de Italiaanse en de Spaanse keuken. Integendeel. We zijn blij dat onze keuken met tagliatelle en tapas is verrijkt. 

Zoals het in onze keuken is gegaan, zo gaat het nu ook op onze arbeidsmarkt: (een gezonde portie) diversiteit wordt door steeds meer werkgevers gewaardeerd.

Werkgevers die aanvankelijk wat afhoudend of afwijzend zijn, komen er vaak bij een eerste ontmoeting al achter dat mensen met een arbeidsbeperking echt niet arbeidsongeschikt zijn. Met aanpassingen op de werkvloer kom je vaak al een heel eind. 

Met een no-riskpolis en subsidie voor een interne jobcoach bieden we werkgevers ook financiële steun om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.  

Ik kan me eigenlijk ook niet voorstellen dat er in ons land werkgevers zijn die zeggen:  “Sollicitanten met een handicap wijs ik blind af!” 

En als er wel werkgevers zijn die zo dom discrimineren, dan hoop ik dat afgewezen sollicitanten onmiddellijk aan de bel trekken en aangifte doen. 

We hebben een quotumwet als stok achter de deur, maar het liefst zou ik die stok nooit hoeven te gebruiken. 

Dat hoeft ook niet als het voor werkgevers vanzelfsprekend wordt om mensen met een beperking kansen te bieden. 

Ja, dat vraagt om een cultuurverandering. 

Ja, dat kost tijd. 

Maar dat is geen reden om nu al te gaan somberen dat het ons nooit gaat lukken. 

Nee. Als we het met elkaar willen, dan kunnen we het met elkaar doen. 

Nu schudden we ons hoofd over de ouderwetse mannen die destijds niet wilden dat getrouwde vrouwen een baan buitenshuis hadden; straks schudden we ons hoofd over die ouderwetse werkgevers die mensen met een arbeidsbeperking buiten de deur hielden... 

We hebben het hier niet over gunsten aan mensen die niet kunnen werken; we hebben het over rechten van mensen die kunnen en willen werken. 

Grondrechten. 

Dit is van essentieel belang voor de emancipatie van mensen met een beperking.

Dat geldt ook voor de ratificatie van het verdrag voor de rechten van mensen met een handicap. De Tweede Kamer is net  akkoord gegaan met het voorstel van mijn collega (staatssecretaris) Martin van Rijn om dit verdrag van de Verenigde Naties te ratificeren.

Daarmee zeggen we principieel ja tegen een samenleving zonder ondoenlijke drempels voor mensen met een beperking. 

Dat is tegelijk een praktisch ja tegen het beter toegankelijk maken van openbare ruimtes en bedrijven. 

Ik vond het ontzettend inspirerend om te zien hoe mijn partijgenoot Otwin van Dijk zich hiervoor in de Tweede Kamer heeft ingezet. 

Otwin van Dijk is door een ongeluk in een rolstoel terechtgekomen. Hij heeft in de Tweede Kamer verteld wat dat persoonlijk en politiek voor hem betekende. 

De zaal van de Tweede Kamer was niet geschikt voor iemand in een rolstoel. De interruptiemicrofoons konden niet laag genoeg, en achter het katheder kon je eigenlijk alleen maar staan. 

Er moest dus van alles worden aangepast om te zorgen dat hij zijn werk als Kamerlid, net als alle anderen, kon doen. 

“We denken vaak dat alles goed geregeld is en dat iedereen natuurlijk mee kan doen. Maar toch blijkt dat in de dagelijkse praktijk vaak flink tegen te vallen” , zei hij vorige maand in de Tweede Kamer. “Als zelfs ons parlement, de plek van alle Nederlanders, niet vanzelfsprekend goed toegankelijk is, dan is er nog een wereld te winnen.”

Er is nog een wereld te winnen. 

Niet alleen in de Tweede Kamer. Daar moeten we als samenleving ons stinkende best voor doen. 

Door gebouwen goed toegankelijk te maken. 

Door mensen met een beperking eerlijke kansen op de arbeidsmarkt te bieden. 

Door mensen met een handicap de rechten en de ruimte te geven die ze verdienen. 

Dat kan geen staatssecretaris, geen minister, per decreet voor elkaar krijgen. Dat moet in en vanuit de samenleving gebeuren. 

Dat begint al met de opvoeding, het onderwijs, het omgaan met mensen die anders (zijn dan wijzelf) zijn. 

Door zuurstofgebrek bij mijn geboorte heb ik spastische benen. Het is aan mijn ouders, mijn zussen en mijn vrienden te danken dat ik me zelden zielig of buitengesloten heb gevoeld.  Zij gaven mij van jongs af aan het gevoel dat ik er voor de volle honderd procent bij hoor. 

En daar gaat het om. Mensen hebben er behoefte aan er gewoon bij te horen, om geaccepteerd te worden. 

Door hun familie, door hun klasgenoten, door hun collega’s op het werk. 

Geaccepteerd zoals ze zijn. 

Geaccepteerd zoals we zijn. 

Ik zal er hier niet voor pleiten om peuters al artikel één van de grondwet voor te lezen, maar het is wel gezond als je de kern daarvan al met de paplepel binnenkrijgt. Dat je niet moet neerkijken op andere mensen, omdat ze anders zijn dan jij. Gewoon anders. 

Hans Andreus heeft dat geschreven in één van de mooiste gedichten die ik ken.

Je bent zo

mooi anders

dan ik.

 

Natuurlijk niet

meer of minder

maar

zo mooi anders.

 

Ik zou je

nooit anders

dan anders

willen.

We hebben artikel één van de grondwet, we hebben de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, maar dat is niet voldoende. 

Met wetten alleen verbeteren we de wereld niet. 

Daar moeten we ons met elkaar voor inzetten. U, ik, wij moeten met elkaar zeggen: wij accepteren in dit land geen enkele vorm van discriminatie. 

Niet van vrouwen en niet van vijftigplussers.  Niet van mensen met een hoofddoek en niet van mensen met een handicap. 

Met artikel één van de grondwet is de discriminatie niet uit onze samenleving verdwenen, zoals met het afschaffen van de slavernij het racisme niet uit onze samenleving is verdwenen. 

 

Er worden in ons land nog steeds mensen gediscrimineerd. 

Joden en moslims worden geplaagd, gepest, getreiterd omdat ze een keppeltje of een hoofddoekje dragen. 

Sollicitanten worden afgewezen omdat ze te oud zijn of omdat ze een Marokkaanse, Surinaamse of Turkse achtergrond hebben.

Denk aan de 60-plussers die zich suf solliciteren en het vervelende gevoel krijgen dat ze het bij voorbaat al afleggen tegen jongere sollicitanten,

Denk aan Nederlandse jongeren die op zoek zijn naar een stageplek en het woest of wanhopig makende gevoel krijgen dat ze alleen al vanwege hun Marokkaanse of Turkse achternaam worden afgewezen.

Onderzoek toont aan dat het meer dan een gevoel alleen is: er wordt op basis van leeftijd en afkomst geselecteerd.

Als mensen met een Nederlandse naam en mensen met een Marokkaanse of Turkse naam solliciteren, dan hebben de sollicitanten met de Nederlandse naam meer kans op succes. Ook al is hun cv helemaal hetzelfde.  

Dat voelt onrechtvaardig. Dat doet pijn. 

 

We kunnen, we mogen onze oren niet sluiten voor de pijnlijke ervaringen van Nederlanders met een Antilliaanse, Marokkaanse, Surinaamse, Turkse achtergrond. Het is onverteerbaar om niet als Nederlander, niet als gelijke te worden behandeld, maar uitsluitend vanwege je afkomst, je huidskleur, als buitenstaander, als mindere. 

 

Daar moeten we wat aan doen en daar doet dit kabinet ook wat aan.

 

Zo heeft Lodewijk Asscher een stevig pakket maatregelen genomen om discriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken. 

 

Bedrijven die worden veroordeeld voor discriminatie hoeven niet meer bij de rijksoverheid aan te kloppen voor opdrachten. Contracten met bedrijven die (onherroepelijk) strafrechtelijk zijn veroordeeld voor discriminatie worden beëindigd.

 

Het is de taak van de overheid om discriminatie aan te pakken, maar dat  ontslaat ons, burgers, niet van onze eigen verantwoordelijkheid. Artikel één van de Grondwet is van en voor ons allemaal.

Ook voor nieuwkomers. 

 

Ook al komen ze uit landen waar ze anders tegen vrouwen aankijken dan hier. Ook al komen ze uit landen waar ze anders tegen (mensen met een handicap) en homo’s aankijken dan hier.

 

Daarom vond ik het ook vreselijk om vorige maand in De Gelderlander (*De Gelderlander,  12 januari 2016) te lezen over homo’s in Heumensoord die zich door andere vluchtelingen gepest voelden.

Dat willen we hier niet.

Maar twee dagen daarna las ik ook een ander verhaal (in De Gelderlander). Een interview met twee homo’s in een vluchtelingenopvang in Arnhem: George (Haddad) en Sarjon (Dali). Zij vertelden dat ze eerst door andere vluchtelingen werden genegeerd of vies aangekeken.  

Om daar iets aan te veranderen waren ze het gesprek aangegaan. En dat hielp. Ze voelden zich beter begrepen. Ik citeer: “Je merkt dat mensen door beginnen te krijgen dat homoseksualiteit in Nederland is toegestaan en dat wij niet iets verkeerd doen. Ze stellen ons vragen en zijn nieuwsgierig." 

Zo’n verhaal geeft mij een positief gevoel:  zie je wel, het kan. Als mensen maar voor elkaar open willen staan, bereid zijn om naar elkaar te luisteren. Het begint met respect en vooral  fundamentele interesse in elkaar.

Niet benauwd voor de ander, maar benieuwd naar de ander. 

Zo neem je domme vooroordelen weg. 

Het is onzinnig en onrechtvaardig om mensen met één en hetzelfde geloof of één en hetzelfde kenmerk over één kam te scheren. 

Iedereen verdient het om als individu te worden beoordeeld en behandeld.  

Ik moet echt heel diep zuchten als ik mensen hoor schreeuwen dat ze de grenzen willen sluiten voor alle moslims  of als  alle vluchtelingen worden weggezet als potentiële verkrachters.

Dat is in strijd met de fundamentele waarden waar artikel één van de grondwet volgens mij nou juist (ferm) voor staat.

We moeten onze oren niet laten hangen naar de ordinaire schreeuwers.

Ik kan me verplaatsen in de mensen die zich zorgen maken over het aantal vluchtelingen; die zich afvragen hoeveel asielzoekers onze samenleving aankan; die zich afvragen hoe mensen met een andere culturele achtergrond hier omgaan met de rechten van vrouwen en homo’s.

Dat doe ik ook. Het zou naïef zijn om die vragen niet te stellen. 

Maar ik vind dat we ons ook moeten verplaatsen in de oorlogsvluchtelingen uit landen als Syrië. Die verdienen veilige opvang en fatsoenlijke bescherming.

We mogen vluchtelingen niet aan hun lot overlaten, en we zullen vluchtelingen niet aan hun lot overlaten.

Dit is nog altijd een sociaal en solidair land waar we – barmhartig en rechtvaardig – opkomen voor onschuldige slachtoffers van oorlog en onderdrukking.

Dat zien we hier ook in Nijmegen.

Ik vind het echt dik verdiend dat de Burgemeester Dales Prijs naar de vrijwilligers van Heumensoord  gaat. 

Ik ga niet op de prijsuitreiking vooruitlopen, maar ook als de prijs niet naar deze vrijwilligers was gegaan, had ik ze hier een dikke, vette pluim gegeven. 

Ik vind het hartverwarmend om te zien hoe vrijwilligers zich hier – en op veel andere plaatsen in ons land – voor vluchtelingen inzetten.

Tegen al die vrijwilligers zeg ik hier: bedankt dat jullie je hart laten spreken en echt iets doen voor vluchtelingen. Jullie zijn het sociale hart van Nederland.  

Ik ben ook trots op al die dappere lokale bestuurders die doen wat ze moeten doen en doortastend meewerken aan het opvangen van asielzoekers. Ik weet zeker dat Ien Dales het ook zo zou hebben gedaan. 

Dit hoort ook bij een traditie waar we als samenleving trots op mogen zijn: de traditie van tolerantie. 

Ons land is altijd een veilige haven geweest voor vluchtelingen. Van Hugenoten tot Hongaren. Dit heeft ons land gemaakt tot wat het is: een welvarend land waar mensen vrij en vreedzaam samen kunnen leven. Verdraagzaam. Verbonden in verscheidenheid. 

Laten we die rijke traditie nu niet verkwanselen, maar voortzetten. Ook in deze turbulente tijd met spanningen in de samenleving en terroristen die onze manier van leven aanvallen.

Ik kan me, ik wil me geen Nederland voorstellen waar geen vluchteling meer welkom is.

Daarmee ben ik terug bij artikel één van onze grondwet, de basis voor onze rechtsstaat, de basis voor onze democratie met gelijke rechten en gelijke kansen.

Ik begon te vertellen dat die gelijke rechten voor vrouwen er niet altijd waren en dat die gelijke kansen er ook niet altijd waren.

In de tijd dat ik op de basisschool zat – die toen nog lagere school heette – gingen veel dochters van arbeiders en kleine middenstanders bijna vanzelfsprekend naar de Huishoudschool, ook wel de “spinazieacademie” genoemd. Veel ouders en onderwijzers vonden dat meisjes zich maar het best konden voorbereiden op een leven als huisvrouw en moeder. 

Nou goed, eerst een baantje als kapster of kleuterjuf, als typiste of telefoniste, maar voorbereiden op economische zelfstandigheid? Dat was voor veel meisjes van mijn generatie echt nog niet vanzelfsprekend. 

En de zonen van de arbeiders? Die kregen al gauw het advies om naar de Lagere Technische School te gaan. Ook al hadden ze meer in hun mars. 

De universiteit was makkelijker bereikbaar vanuit de villawijk dan (vanuit) de arbeiderswijken.

Dat is veranderd. 

Door een succesvolle strijd  voor gelijke rechten en gelijke kansen. 

Er kwamen meer mogelijkheden voor kinderen van ouders met een lage opleiding en een laag inkomen. 

Ze kregen meer kansen om te klimmen op de maatschappelijke ladder. 

Zo kon de zoon van een fabrieksarbeider uit Nijmegen zich opwerken tot minister. 

Zo kon de dochter van een Marokkaanse gastarbeider voorzitter van de Tweede Kamer worden.

Het is ons – en onze ouders en grootouders – gelukt om die oude, onrechtvaardige ongelijkheid te bestrijden, zoals het de generaties voor ons ook is gelukt om het kiesrecht voor vrouwen af te dwingen, om de slavernij af te schaffen. 

Het gebeurde allemaal laat, schandalig laat, maar het is uiteindelijk wel gelukt. Door sociale strijd. Door standvastigheid van mensen die volhielden: “Dit kan niet door de beugel, hier moet een eind aan komen.” 

Die sociale veranderingskracht hebben wij ook. Laten we daar, schouder aan schouder,  gebruik van maken om onaanvaardbare ongelijkheid in onze tijd te bestrijden en iedere vorm van discriminatie te lijf te gaan.

Laten we ons met elkaar inzetten voor een inclusieve samenleving waarin iedereen er volwaardig bij hoort.

Ik voel me daarbij nog altijd geïnspireerd door Ien Dales. Niet alleen door haar pure persoonlijkheid, maar ook de principiële en praktische manier waarop zij zich inzette voor een gemeenschap van mensen die niet gelijk maar wel gelijkwaardig zijn.

Dat deed ze met een effectieve mix van idealisme en realisme en vanuit een invalshoek die ook de mijne is: “Ik denk niet in wetten, ik denk in mensen.”

Uiteindelijk zijn het de mensen om wie het draait; uiteindelijk zijn het de mensen die het moeten doen. 

U, ik, wij.