Het is een eer om deze 21ste editie van de Ien Dales-lezing te mogen voordragen. Niet in het minst omdat de naamgever van deze lezing zich op bijzondere wijze inzette voor de emancipatie van vrouwen. Als minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Lubbers III schreef ze onder meer de Wet Gelijke Behandeling op haar naam.

Ien Dales overleed te vroeg. Veel te vroeg. De herinnering aan haar, houden we onder andere met deze lezing levend. De herinnering aan haar sociale bewogenheid. En aan haar grote doorzettingsvermogen.

Dames en heren. Ik trap vanavond graag af met een bekende parabel. De parabel van de twee vogels. Op een mooie ochtend vliegen ze samen lekker door de lucht, als vanuit de verte een oude vogel roept: ‘he jongens, hoe is de lucht?’ De jonge vogels knikken beleefd: ja hoor, prima. Maar als de oude vogel voorbij is, zeggen ze tegen elkaar: ‘wat is, in vredesnaam, lucht?’ Aan deze parabel moest ik denken in aanloop naar deze lezing.

De Grondwet is voor democratisch opgevoede mensen toch een beetje als de lucht voor deze twee jonge vogels. Lucht die je niet meer waarneemt. En dat terwijl deze lucht - onze Grondwet – de zuurstof is voor onze identiteit, voor al wat het leven in dit land zo mooi maakt: gelijkheid, vrijheid, tolerantie. En dat wil ik vandaag ook betogen.

II Geschiedenis van de Ollongrens

Dames en heren. Laat ik u meenemen in mijn familiegeschiedenis; de relevantie ervan wordt u snel duidelijk. U weet misschien wel dat mijn wortels een stuk boven de rivieren liggen. Een heel stuk, in Zweden. En elke zomer ga ik er weer naartoe. Ik voel me Nederlandse. Net als dat ik me ook Zweedse beschouw. Maar… ik heb niet alleen Zweedse… maar ook Russische roots.

Ik heb dit al eerder opgebiecht.

Ik kom uit de familie ‘Ållongren i Finland’. Al generaties lang een officiersgeslacht. Tsaargezind. Van tijd tot tijd zelfs bivakkerend in de weelde van de tsaren. Zo was mijn over-, overgrootmoeder de gouvernante van de laatste tsaar Nicolaas II; mijn overgrootvader zijn speelkameraadje. Te midden van paleizen vol schilderijen, naar knikkende lakeien, naar geparfumeerde vrouwen.

De zoon van dat speelkameraadje van de laatste tsaar is mijn opa Alexander. Ook hij diende in het tsaristisch leger, ook hij zwoor trouw aan de tsaar. En ook voor hem was Sint Petersburg zijn thuis.

Maar dat zou niet lang meer duren. De Russische Revolutie zette alles op zijn kop. Mijn opa sloeg op de vlucht met de ‘witten’ – de tsaargezinden. Die vlucht voerde hem naar vele plaatsen. Zo was hij officier aan boord van een schip dat mijnen legde in de Zwarte Zee. Hij reisde per trein van Sint Petersburg naar Vladivostok. Tot slot zou ook hij deze laatste ‘stronghold’ van het tsaristische leger verlaten. Met de boot naar Nagasaki, Saigon en Hongkong.

Het grootste deel van zijn leven, ook tijdens de Tweede Wereldoorlog, bracht mijn grootvader uiteindelijk door in Nederlands-Indië. Daar trouwde hij, kreeg hij kinderen. En een Nederlands paspoort. Alexanders laatste thuis werd Kijkduin in Den Haag.

Ik was altijd benieuwd hoe hij zich na al die omzwervingen voelde.

  • Een Rus van Fins-Zweedse oorsprong?
  • Een Indische-Nederlander?
  • Nederlander?
  • Of toch Hagenaar?

Ik vraag me af of zijn identiteit bepaald werd door de Russische revolutie of juist door zijn keuze voor Nederlands Indië en Nederland. En ik zijn, kleindochter? Hoe klinkt deze geschiedenis door in wie ik ben? Waar ik me mee identificeer? Het verhaal van Alexander vormt een prachtige geschiedenis, niet waar? Zo’n verhaal waar ik vandaag de dag bij Russische patriotten prima mee aan kan komen. Maar als ik eerlijk ben, zou ik het niet eens weten of en hoe die achtergrond mij gevormd heeft.

Natuurlijk, het is altijd goed om te weten waar je vandaan komt – fascinerend soms. Maar het heeft mij vooral geleerd dat de nationale of etnische identiteit niet altijd de betekenis heeft die je verwacht. Uiteindelijk word je toch vooral gevormd door wat jezelf meemaakt. Waar je je thuis voelt. En verrassend genoeg is dat nou juist wat het verhaal van Alexander laat zien. Alexander was een Rus, zeker. Maar ook Nederland en Hagenaar.

Ik sta hier voor u als werkende vrouw. Ik ben aangekondigd als minister. Als ik straks naar huis rijd, dan ben ik vooral moeder. En echtgenote. En tegelijk ben ik een Zweedse en een Nederlandse. En Amsterdammer. En Europeaan. Want Europa biedt mijn historisch kader. Amsterdam, dat is mijn thuis. En Nederland, mijn land, een land op trots op te zijn.

Die gelaagdheid, die vrijheid, koester ik. Geen mens is terug te brengen tot een enkele identiteit. Ieder mens is altijd méér dan de som van zijn etniciteit, geslacht, geloof of welke aanduiding we ook gebruiken voor onszelf.

III Vrij om jezelf te zijn

En gelukkig kán dat ook in Nederland. Iedereen mag zichzelf zijn. 

Dat is de kern van onze Grondwet. In vrijheid. En in gelijkwaardigheid. Niet voor niets omschrijft ons allereerste Grondwettelijk artikel het gelijkheidsbeginsel: discriminatie “op welke grond dan ook” staan wij niet toe. Het is ook meteen het meest identiteitsbepalende artikel van onze Grondwet. Het zegt iets fundamenteels over Nederland. Het principe staat niet voor niets al sinds 1798 in wat toen de ‘Staatsregeling’ heette van het Bataafse Volk. In nasleep van de Franse Revolutie en haar Déclarations des droits de l’homme et du citoyen.

Die gedachte heeft in Nederland van oudsher een vruchtbare bodem gevonden. Nederland stond en staat open voor anderen, en voor anders zijn. Voor vluchtelingen ongeacht hun religie of nationaliteit. Of ze nu korte of lange omzwervingen achter de rug hebben.

Onze Grondwet is daar de basis van. De basis van onze identiteit, zou ik zeggen. Een goed bewaard geheim.

IV Ontbreken van emotionele binding met de Grondwet in NL

En toch, dames en heren, ik zeg ‘goed bewaard’, want toch ontbreekt er iets. Iets belangrijks. Want waar die Grondwet de basis vormt van onze identiteit, daar ontbreekt ook opvallend genoeg elke emotionele binding.

Als we er uit citeren klinkt het plechtig, soms zelfs obligaat. Dan volgt vaak – begrijpelijk – de Hollandse nuchterheid: ‘Ja, ja, dat heb ik vaker gehoord. Dat weet ik nu wel’.

Als we het vieren – zoals in 2015 bij 200 jaar Grondwet – dan gaat het vooral over de monarchie onder de Oranjes, niet over de eerste democratische Grondwet die ons land kenden. Bovendien de oudste ter wereld, naast die van de Amerikanen.

En als we erover debatteren vervallen we vaak in droge juridische discussies over de reikwijdte van de grondrechten.

Maar emotionele binding? Bij het gros van de Nederlandse bevolking is die er nauwelijks. Ik hoef u niet uit te leggen dat dat bij een beetje boef in Amerika wel anders is. Die weet wel van de Grondwet.

"You have the right to remain silent. Anything you say can and will be used against you….”

 U kent het. U kijkt Netflix.

In Amerika is een politieman verplicht de verdachte te informeren over zijn rechten uit het Vijfde Amendement van de Constitutie, de zogenaamde Miranda Rights. Die zijn zo bekend, dat kinderen er al op school over horen. Wij horen hier van ‘aap, noot, mies’; zij leren het ‘We The People’. Er zijn zelfs uitdrukkingen uit ontstaan. ‘To mirandadise’ betekent iemand op zijn rechten wijzen, ‘take the fifth’ betekent dat iemand zich op zijn zwijgrecht beroept.

Van dat alles niets bij ons.

Onze verworven grondrechten hebben nooit het aureool om zich heen van een groot verworven iets. Wij hebben nooit pleinen, straten, monumenten naar die “verlossende” Grondwet genoemd. Wij roepen nooit: dit zijn wij! Dit zijn onze rechten! - die na een lange periode van misstanden, net als de tafelen van Mozes met de tien geboden, van een berg zijn gedragen.

Dat die binding in Nederland ontbreekt, is historisch verklaarbaar. Het koningschap en de oranjes voorzagen in een behoefte aan verbondenheid. En in onze voorheen verzuilde samenleving was het lange tijd zo dat de dominee of de pastoor bepaalde welke waarden zouden moeten worden overgedragen. Of misschien bij de socialisten de vakbondsleider.

Van die zuilen kun je beweren dat een soort opgedrongen gemeenschappelijkheid betrof. En dat met de ontzuiling de vrijheid toenam. Maar het heeft wel vragen opgeroepen ‘wat nu’, ‘wat dan wel’, ‘wat definieert ons’. Vragen die gevoed worden door de open wereld waarin we nu leven, waarin mensen vanuit andere landen hier kunnen komen. Het is in deze context niet gek dat de blik richting Grondwet gaat.

V Grondrechtelijke traditie

Dames en heren. Het lijkt alsof onze Grondwet voornamelijk voer is geweest voor en van staatsrechtgeleerden. Dat er geen politieke strijd aan vooraf is gegaan. En dat een vanzelfsprekende koppeling tussen identiteit en de Grondwet ontbreekt. Dat is niet zo.

Ik wil niet beweren dat wij de Amerikanen achterna moeten. Zij hebben zo hun eigen traditie. Die kunnen we, hoe mooi ook, niet zomaar nabootsen. En dat hoeft ook niet. Wij moeten naar onze eigen grondrechtelijke traditie kijken. Die voert terug tot onze onafhankelijkheidsverklaring van 1581 (!). Dat document kennen wij onder de naam het Plakkaat van Verlatinghe.

Vorige week werd het document in een tv-programma gekozen tot ‘Het Pronkstuk van Nederland’. Niet de microscoop van Antoni van Leeuwenhoek. Niet de Nachtwacht van Rembrandt. Nee… het Plakkaat van Verlatinghe.

Ik kan me voorstellen dat tot vorige week weinigen ervan gehoord hadden. Maar in dit Plakkaat, uit 1581(!), wordt de Spaanse koning Filips II niet langer erkend als heerser over Nederland. Het plakkaat markeert daarmee de geboorte van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

In de tekst van het plakkaat staat expliciet wat er van een vorst verwacht mag worden.

Ik citeer:

“Ende dat d’ondersaten niet en zijn van Godt gheschapen tot behoef van den Prince om hem in alles, wat hy beveelt, weder het goddelic oft ongoddelick, recht oft onrecht is, onderdanich te wezen ende als slaven te dienen, maer den Prince om d’ondersaten wille, sonder de welcke hy egheen Prince en is.”

Vrij vertaald: de wil van het volk legitimeert de machthebber. In verdere passages wordt verwezen naar vrijheid van denken, vrijheid van ideeën, inclusief vrijheid van godsdienst. 

Met andere woorden: twee eeuwen voor de Franse revolutie en een eeuw voor de Bill of Rights stond in Nederland de democratische rechtsstaat al in de steigers.

VI Pointillistische grondwet

Dames en heren. In de formulering van onze huidige Grondwet is gekozen voor wat mijn kortstondige, demissionaire voorganger op BZK - Ernst Hirsch Ballin - wel een pointillistische grondwet noemde. [dia 6] Een grondwet die doet denken aan een schilderij van Van Gogh. Het zet belangrijke stippen op het tableau. Stipjes die laten zien wat het beeld is, maar die niet perse helemaal zijn uitgetekend. Een beetje zoals het schilderij hier van de Eiffeltoren.

Die zakelijkheid laat ruimte. Oftewel openheid voor verschillende richtingen: dat was en is nog steeds de kracht ervan. En dat is noodzaak. Waar Nederland begin jaren tachtig nog betrekkelijk homogeen was, is de samenleving nu - zeker in de grote steden – veel diverser.

We hebben een grote diversiteit aan culturen, religies en levensbeschouwelijke opvattingen en een even zo grote diversiteit aan levensstijlen, aan politieke opvattingen en aan maatschappijvisies. En daar past een sobere, zakelijke formulering bij, met een minimum aan gemeenschappelijke waarden. Zo laat onze grondwet ruimte voor een eigen invulling van cultuur en identiteit.

Wij willen met onze Grondwet de identiteit niet in een mal persen. Identiteit is – om met oud-D66-politicus Aad Nuis te spreken – geen ‘pantser’ maar een ‘ruggengraat’: het laat beweging toe, maar houdt ook de rug recht.

Onze Grondwet is het kader waarbinnen we zelf onze identiteit kunnen vormgeven. Het vormt de basis van onze gedeelde Nederlandse identiteit. Het is herkenbaar voor zowel minderheden als meerderheden en werkt niet als uitsluitingsmechanisme.

Het is wat ons, met al onze verschillen, verbindt.

VII Kwetsbaarheid

Dames en heren. Het open, nuchtere karakter van onze Grondwet maakt haar ook kwetsbaar. Zij behoeft veel stilzwijgende overeenstemming. Onuitgesproken duidelijkheid. En het lijkt er soms op of dat dat niet bij allen het geval is. 

De druk op de Grondwet is vergroot. Meer dan ooit zijn er initiatiefwetsvoorstellen tot wijziging van de grondwet ingediend. En er zijn in onze diverse samenleving verhitte debatten over botsende grondrechten.

  • Discussies over de inhoud en grenzen van vrijheden in de pluriforme samenleving.
  • Discussies over de verhouding tussen de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst.
  • Discussies over zwanger solliciterende vrouwen, over de toegankelijkheid van bus en trein voor rolstoelen of over discriminatie van Nederlanders met een migratieachtergrond door uitzendbureaus.

Maar ook discussies over de opmars van nieuwe technieken en wat die voor de persoonlijke levenssfeer betekenen. Deze week nog las ik over ‘Hello Barbie’, een Barbiepop met ingebouwde microfoon, dataopslag, gps en wifi. Die informatie deelt de fabrikant van Barbie – Mattel – desgewenst met de ouders. Dat roept natuurlijk vragen op over de privacybescherming van het kind.

In toenemende mate raken dit soort discussies over grondrechten ook een fundamentele, zelfs existentiële snaar. Tot voor kort dacht ik dat homoseksualiteit en etnische identiteit in relatief rustig vaarwater verkeerden. Maar een aantal incidenten wijst erop dat het discriminatieverbod geen rustig bezit is.

Kunnen zij nog wel zijn wie ze willen zijn?

Telkens weer blijkt dat een grondwet hebben één is, maar het in de praktijk brengen ervan twee.

Om staatsrechtgeleerde Willem Witteveen nog eens aan te halen: onze rechtsstaat, onze Grondwet is geen rustig bezit, geen huis waarin we onbezorgd kunnen gaan slapen.

De grondrechten zijn voor hun voortbestaan afhankelijk van voldoende draagvlak. Als we niet oppassen, wordt dit aangetast. 

VIII Artikel 1 bedreigd

Want, dames en heren, vragen wij ons weleens af: Wat nu als die Grondwet van ons er niet was geweest? Wat als we al die vastgelegde grondrechten niet hadden? Dan zou de macht bijvoorbeeld nog in handen van één persoon zijn, en niet gedeeld en gecontroleerd.

Dan was er geen algemeen kiesrecht. Dan was er geen recht om te demonstreren of te vergaderen, zoals dat in talloze zaaltjes in Nederland dagelijks gebeurt.

Dan ontbrak de mogelijkheid voor mensen om zich op basis van een gemeenschappelijk doel of ideaal te verenigen. Dan zou de vrijheid om je godsdienst te belijden in het geding komen.

Dan zouden de kranten niet meer in vrijheid kunnen bepalen wat ze wel en niet opschrijven. En dan zouden u en ik hier niet met gerustheid – met het hart op de tong – kunnen zeggen wat we willen.

Dan zou het leven hier zijn als in de landen waar we niet naar op vakantie willen. Waar we waarnemers of militairen naar toesturen. En waar de bevolking een hartstochtelijke strijd levert voor een eerlijke grondwet.

Waarmee ik maar wil zeggen: de Grondwet is geen bundel papier. Het is een levend document. Zij maakte aan talloze misstanden een einde. Garandeerde rechten die we nu vanzelfsprekend vinden. Al sinds 1581 wordt ernaar geleefd, zou je met flink wat slagen om de arm kunnen beweren. We beseffen niet eens meer hoe diep de waarden van de Grondwet in ons denken verankerd zitten. Denk aan de vogels en de lucht waardoor ze vliegen. Wat er al je hele leven al was, daarvan ben je je soms nauwelijks meer bewust.

De Grondwet legde niet alleen vast wat we van waarde vonden, het beëindigde vaak ook dat wat we als onrechtvaardigheid beschouwden.

De gemene deler? In mijn ogen het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1, dat ik zojuist noemde. Dat ieder mens zichzelf kan zijn. In vrijheid en gelijkwaardigheid. De ene groep is niet meer waard dan de andere; de ene categorie mensen verdient niet een andere behandeling van de overheid dan de andere.

Oftewel: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

Het is de kern van hoe we samenleven. Maar dat is niet altijd een rustig en veilig bezit.

Het populisme valt dit fundament van onze samenleving geregeld aan. Aan het begin van deze eeuw koos Pim Fortuyn - in een oneigenlijke tegenstelling tussen artikel 1 en artikel 7 van de Grondwet – ervoor om artikel 1 te schrappen.

Daarna ging het hard.

Wilders pleitte er in 2006 zonder enige nuance voor om artikel 1 te schrappen.

Hij wilde het vervangen door een artikel over de dominante cultuur. Terwijl de Grondwet er juist voor zorgt dat niemand gedomineerd wordt, maar dat alle Nederlanders vrij en gelijk zijn.

Wilders werkte het later verder uit. Zo zonderde hij de aanhangers van één geloof uit met een belasting: de kopvoddentax. En stelde hij voor de verkiezingen voor om te zorgen voor minder Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond.

Stuk voor stuk strijdig met het beginstel dat allen in Nederland gelijk zijn.

De nieuwste afsplitsing van het populisme gaat verder waar Wilders ophoudt.

De partij van Baudet lijkt geobsedeerd te zijn door één van de weinige taboes waar ik als progressieve liberaal aan hecht:

Het praten over rassen in het politieke debat.

Rassenmenging kwam al voorbij uit de mond van Forumleden. Rassenverdunning ook. De afgelopen weken ging Baudet opnieuw verder.

Geconfronteerd met uitspraken dat Nederlanders met een donkere huidskleur minder intelligent zouden zijn dan andere rassen, een uitspraak van een kandidaat van Forum bij de verkiezingen aanstaande maart, zei de voorman van Forum dat hij daar geen afstand van wilde nemen. Volgens Baudet was dit een wetenschappelijk debat. Daar wilde hij zich niet in mengen. Zo laat hij het dus onweersproken als zijn partijgenoten openlijk discrimineren op basis van ras.

Het populisme wil sommige Nederlanders dus anders behandelen dan andere.

En daarmee bedreigt het kernwaarden van Nederland. Het is in deze tijd dan ook belangrijker om artikel 1 van de Grondwet te koesteren dan ooit.

De democratie, de rechtsstaat, onze vrije en open samenleving moeten we koesteren en beschermen.

Daarom ben ik ook zo blij dat het kabinet waarvan ik nu deel mag uitmaken Artikel 1 uitbreidt met de gronden handicap en seksuele geaardheid versterkt en ook omarmt dat de Algemene Wet Gelijke Behandeling beter wordt verankerd. Zo bieden we weerstand aan de aanvallen van het populisme.

IX Levende Grondwet

Dames en heren. Alleen al om die reden moeten wij onze Grondwet levend houden. Bijvoorbeeld: via het onderwijs. Toen ik nog SG bij Algemene Zaken was, liep ik elke dag over het Binnenhof. Daar is het druk. Daar lopen dagjesmensen. Maar er lopen vooral scholieren. Scholieren die op een beeldende manier door ProDemos constitutionele geletterdheid wordt bijgebracht.

Zoals de basisgereedheid van de krijgsmacht op orde moet zijn, zo zou ook onze basisgereedheid betreffende ons constitutioneel bewustzijn op orde mogen zijn.

Iedere scholier zou verplicht langs het Rijksmuseum of het Parlement moeten. Zo staat het ook in het Regeerakkoord.

Een andere manier om die Grondwet levendiger te maken, kan via een inleidende tekst boven de Grondwet. Of wat chiquer: een preambule. Een algemene bepaling nog vóór artikel 1. Die ligt over 2 weken voor in de Eerste Kamer. Het voorstel voor die algemene bepaling luidt: ‘De Grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat’.

De Nederlandse politieke gemeenschap heeft een eerbiedigwaardige geschiedenis. Denk aan de strijd voor de vrijheid en gelijkheid. Dat in die context grondrechten en de democratische rechtsstaat worden genoemd als uitgangspunten van ons politieke systeem, van onze identiteit, kan ik zeer wel waarderen. Daar gaat een zekere symboolfunctie vanuit. En het geeft wat mij betreft richting.

De algemene bepaling omvat immers het kader waarin de rest van de Grondwet moet worden begrepen. En het sluit aan bij de opvatting van dit kabinet, namelijk dat onze Grondwet geen symbolisch relict uit het verleden, maar een teken van trots en van de vrijheden, rechten en plichten die horen bij Nederland, het Nederlanderschap en de democratische rechtstaat. En dat om die reden de Grondwet onderhoud en bekendmaking verdient. Aan Nederland en nieuwkomers.

X Slotwoorden

Dames en heren. 

We mogen trots zijn. Als een grondwet inderdaad, in de woorden van Michael Douglas in de film The American President, gaat om ‘who we are and what we want’, dan mogen we die best wat openlijker uitdragen.

Onze Grondwet voorziet in een zo groot mogelijke vorm van individueel vrijheid, en dát ingebed in de eenheid van het geheel. Je zou het kunnen zien als een evenwicht tussen liberalen, vrijzinnigen en democraten enerzijds, en gemeenschapsdenkers als conservatieven en socialisten anderzijds.

Onze Grondwet is zo de symbolische basis voor de verbindende identiteit waarnaar we op zoek zijn, juist omdat het ruimte voor het individu laat.

De Libanese journalist en auteur Amin Maalouf heeft het prachtig verwoord: “C'est notre regard qui enferme souvent les autres dans leurs plus étroites appartenances, et c'est notre regard aussi qui peut les libérer.”

We respecteren vrije keuzes die mensen voor zichzelf maken over wie ze willen zijn, waar ze in willen geloven en hoe ze zichzelf in de maatschappij willen positioneren.

Dames en heren. Ik begon deze lezing met mijn eigen wortels. Althans, één helft ervan. Een verhaal dat via Sint Petersburg, Vladivostok, en Hongkong eindigde in Kijkduin, Den Haag. In Nederland. Het land waar ik mij in thuis voel. Omdat het een land is waar je verleden je niet beperkt. En omdat het een land is waar verschillen worden omarmd in plaats van bestreden. Ook als het schuurt. Juist als het schuurt.

Ik voel me in dit land thuis omdat ik er zelf kan bepalen wie ik ben. Een Zweeds-Nederlandse, een Nederland-Zweedse, Ajax-fan. En waar je lesbienne mag zijn, zoals Ien Dales. Net als ikzelf. De grondwet – hoe nuchter en sober ook – biedt daartoe de ruimte. Beginnende met artikel 1. Laat ik hier opmerken dat ik bevoorrecht ben dat ik mijn thuis hier heb gevonden, hier in Nederland, het land van vrijheid en openheid.

Dank u wel.